Zo’n 12 jaar geleden stapte ik als vijftienjarig meisje met lood in mijn schoenen de keuken binnen. “Mam, als ik je zou vertellen dat ik op meisjes val, wat zou je daar dan van vinden?”

Mijn moeder glimlachte: “dat wist ik al lang, lieverd. Zo lang je maar niet je haar afknipt en in een tuinbroek hand in hand met een meisje door het centrum loopt, vind ik het prima.”
Ik was diep beledigd. Zou mijn moeder zich voor mij schamen als ik mijn haar af zou knippen? Of als ik hand in hand met een meisje door de stad zou lopen? Zou mijn moeder zich druk maken over wat mensen zouden denken?

Ik was één van de enige openlijk homoseksuele leerlingen op mijn middelbare school. Over het algemeen ging dat goed. Toch kreeg ik af en toe wel eens een vervelende opmerking naar mijn hoofd geslingerd. ‘Vieze pot’ was een populaire term. Ik trok me er niets van aan. Dat hoorde er nu eenmaal bij, toch?!

Na de middelbare school verhuisde ik naar Stad en ging er een wereld voor me open. Ik sloot me aan bij een vrouwenvoetbalvereniging en ging achter de bar werken in de Golden Arm, later Club G.A.y. Lange tijd omringde ik me voornamelijk met LHBT’s. Velen van hen waren wel eens gediscrimineerd, geïntimideerd of zelfs fysiek mishandeld vanwege hun genderdysforie of geaardheid. Als ik hen mocht geloven, had ik niets te klagen. Met mijn lange haren en make-up zag ik er ook helemaal niet uit als lesbiënne, toch?!

Bij mijn voetbalclub ontmoette ik mijn vrouw. Op zaterdag gingen we na de wedstrijd regelmatig in de stad nog een biertje drinken. Hoewel we ons nooit echt onveilig voelden, lieten we automatisch elkaars hand los zodra we de Grote Markt naderden, of de Poelestraat. Deden we dat niet, dan werden er gegarandeerd seksueel getinte opmerkingen gemaakt, en kon het maar zo zijn dat onze billen werden vastgegrepen. Maar ja, daar hadden we dan ook zelf om gevraagd, toch?!

Ik ging vrijwilligerswerk doen bij een grote zorginstelling. Twee keer per week ging ik op bezoek bij een eenzame vrouw van 82. Als het mooi weer was, gingen we wandelen. Ze vroeg me vaak naar mijn man, want toen ik ooit vertelde dat ik getrouwd was, ging ze ervan uit dat dit met een man was. Ik verbeterde haar niet. De mevrouw was streng gelovig en zou dat vast niet begrijpen. Een leugentje om bestwil, toch?!

Tweeënhalf jaar geleden vierde ik met een grote groep vrouwen de verjaardag van een vriendin in De Kast. Toen bijna iedereen na een lange nacht al veilig in bed lag, werden twee van die vrouwen op gruwelijk agressieve wijze aangevallen door drie mannen. Waarom? Omdat ze gearmd door de Oosterstraat liepen en er blijkbaar lesbisch uitzagen. “Als je eruitziet als een kerel, dan kun je ook vechten als een kerel”, zei één van de mannen voordat hij ze behoorlijke fysieke en blijvende mentale schade toebracht.

En toen moest ik denken aan de woorden van mijn moeder, tien jaar terug. “Zo lang je maar niet je haar af knipt en in een tuinbroek hand in hand met een meisje door het centrum loopt”. Het was geen schaamte, of angst voor wat mensen zouden denken. Mijn moeder had angst voor wat mensen mij zouden aandoen.

Ik was boos. Boos op de drie mannen die twee onschuldige vrouwen hadden mishandeld. Boos op alle vooroordelen, scheldpartijen, schuine blikken, seksuele intimidatie die ik al die jaren als vanzelfsprekend had gezien. Boos op mezelf. Ik besloot nooit meer één stap richting die kast te zetten. Ook niet voor heel even. En dat bevalt me goed.

De drie ‘helden’ die verantwoordelijk zijn voor de mishandeling zijn nooit gepakt. En ik vraag me af: wat nu als één van die mannen je broer is? Of je beste vriend? Of je buurman? Durf je dan wel uit de kast te komen?

Zolang er mensen bestaan die maken dat LHBTQAI+’ers zich onveilig, niet welkom of minderwaardig voelen, is er een coming out-dag nodig. Om onbewuste mensen bewuster te maken, en om bewuste mensen de gelegenheid te geven zich solidair te verklaren. Ik ben dan ook ontzettend trots op onze stad, waarin ik vandaag bij zoveel huizen, bedrijven en publieke gebouwen die prachtige regenboogvlag zag wapperen.

Janet Wieldraaijer

Author Janet Wieldraaijer

Meer artikelen van Janet Wieldraaijer